De Nederlandse bevolking blijft groeien. De behoefte aan recreatie buiten de deur ook. Zeker het laatste jaar. Maar de strijd om grond is in Nederland heftig. Groeit de hoeveelheid grond voor recreatie eigenlijk wel?

Een oproep van Hans de Vries (bureau voor vernieuwing) om hier serieus naar te kijken en vooral ook hoe we aan de toekomstige behoefte tegemoet kunnen  komen. Hij doet ook voorstellen om anders met de beschikbare ruimte om te gaan. Misschien is het daarbij nodig onze manier van werken met ‘bestemmingen’ te herzien.

Het grondgebruik in Nederland

De Nederlandse bevolking groeide tussen 1900 en 2012 van 5,1 naar 16,7 miljoen mensen. Met name door deze sterke groei is de totale beschikbare ruimte per inwoner met meer dan twee derde afgenomen (bron: CBS-CLO, 2016).
De ruimte per inwoner in Nederland (en ook de afname) is niet gelijkmatig verdeeld over het land. Het beeld van het ruimtegebruik in Nederland zal dus voor een inwoner uit Friesland anders zijn dan voor iemand uit Utrecht.

We zien het oppervlak aan agrarische grond in Nederland de laatste decennia flink afnemen met ruim 124.000 ha tussen 1996 en 2015 (bron: CBS). Daarvan kwam ruim 23.000 ha ten goede aan natuurlijk terrein (m.n. grasland), ruim 22.000 ha aan wonen, ruim 19.000 aan recreatie (vooral parken en plantsoenen) en bijna 7.000 ha aan nieuwe of uitgebreide detailhandel en horeca. Hotels vallen onder het grondgebruik horeca. In de 21e eeuw is de groei van het aantal hotels aanzienlijk, ook buiten Amsterdam.

Grondgebruik verblijfsrecreatie

Recreatieterrein is bij de CBS-indeling van het grondgebruik ‘terrein in gebruik als park of plantsoen, volkstuin of voor sportactiviteiten, dagrecreatie of verblijfsrecreatie’. In Nederland is dat 2,54% van de totale 4,15 miljoen hectare grond: ruim 105.000 hectare in totaal. Elke Nederlander heeft 20,7 m2 aan bruto dag- en verblijfsrecreatiegrond ter beschikking (in 2015, het jaar van de laatste meting).

In Zeeland en Drenthe beschikt een bewoner over 74 m2 respectievelijk 55 m2 grond voor dag- en verblijfsrecreatie per persoon. Bewoners van Utrecht, Noord-Brabant, Zuid-Holland moeten het doen met 11-15 m2 per inwoner. Zuid-Holland heeft in oppervlakte het meeste recreatieterrein binnen haar provinciegrenzen (maar ook de meeste inwoners).

Van de genoemde groei van de oppervlakte recreatie met 19.000 hectare tussen 1996 en 2015 is nog geen 5.000 hectare ten behoeve van nieuwe of bestaande verblijfsrecreatie (vakantie- en bungalowparken, campings en groepsaccommodaties). Dat is gemiddeld 250 hectare per jaar in heel Nederland verdeeld over de 5.400 bedrijven.

Omgerekend is dit 463 m2 per locatie (bungalowparken, groepsaccommodaties, campings) per jaar aan nieuwe verblijfsrecreatiegrond. De omzetting van campings naar bungalowparken op dezelfde oppervlakte grond zit dus niet in dit gemiddelde.

Groei veel te weinig

De 463 m2 extra verblijfsrecreatie gemiddeld per jaar per 5.400 kleine en grote locaties lijkt een aanzienlijk oppervlak. Echter een groei van een lapje grond van zeg 22 x 21 m2 gemiddeld per bedrijf is in het licht van het toenemende aantal Nederlanders, de groei van het aantal buitenlandse gasten en vooral de behoefte aan meer oppervlakte per persoon (en het bezit en gebruik van grotere voorzieningen (zoals tenten, caravans, kampeerplaatsen, recreatiewoningen, sanitairgebouwen, vertiermogelijkheden etc.) verrassend klein te noemen.

Zo zijn er nog wel campings met toeristische plekken van 60 m2 maar een kampeerplaats hoort tegenwoordig toch minimaal 100-120 m2 groot te zijn. En de oude aluminium stacaravans stonden op plaatsen van 100 m2. De recreant van nu ziet echter 250 m2 als minimum oppervlakte voor de eigen of gehuurde kavel met een chalet of recreatiewoning van 40-120 m2. Dat betekent een ruime verdubbeling van de gevraagde oppervlakte grond voor ruwweg hetzelfde aantal recreanten. Bij kwaliteitsverbetering van bestaande terreinen is daarom uitbreiding van het oppervlak een logische noodzaak.

Wat is er wel gebeurd

Dat probleem werd eind negentiger jaren vanuit de branche ook al aangekaart maar blijkbaar hebben de ondernemers dat zelf moeten oplossen. Helaas biedt het CBS of het Kadaster geen cijfers over de manier van het oplossen van dit ruimtegebrek, al zouden de recreatiemakelaars samen al een heel eind komen met een betrouwbaar beeld verwacht ik.

Zelf denk ik dat de afgelopen twee decennia vooral kampeerplaatsen zijn omgezet in hoger renderende plekken voor recreatiewoningen en chalets. Dat toont ook het CBS overzicht van beschikbare plaatsen op kampeerterreinen: een forse daling sinds 2000. Die omzetting komt vooral voort uit verkoop van het bedrijf en deels door omzetting op eigen terrein zo verwacht ik.

Dus - al dan niet toevallig - loste het probleem van een tekort aan oppervlak verblijfsrecreatie zich deels zelf op doordat ondernemers stopten met hun bedrijf. Kopers zetten op dezelfde plek een recreatiebedrijf vaak voort met een geheel ander karakter en nieuw businessmodel.

Hoe ziet de toekomst er uit?

Dat feit (van al dan niet gedwongen verkopen) kon ook wel eens een probleem worden in de komende jaren waarin revitalisering en excelleren een noodzaak blijft in onze bedrijfstak. Want als niet vitale parken onvoldoende ambitie + investeringskracht kunnen opbrengen, lijkt verkoop de enige optie.
Dan moet nog blijken of de hoogst biedende kopers ook een ander businessmodel gaan hanteren, met een toekomstgerichte exploitatie gericht op toekomstig vakantie- en recreatiegedrag. Want meer van hetzelfde zal het recreatielandschap niet ten goede komen. Juist in een tijdsgewricht waar kleiner, fijner en natuurlijker gepaard moeten gaan met circulariteit, klimaatadaptatie en energie transitie zal behoefte zijn aan andere businessmodellen. 

Anders denken en doen

De groei van het aantal inwoners, de nog snellere groei van het aantal huishoudens en daardoor de enorme ruimtebehoefte van functies als wonen, bedrijvigheid, natuur en infrastructuur, maakt het nodig anders te kijken naar ons ruimtelijk beleid.

Want op de manier zoals we nu gewend zijn de ruimte te verdelen, blijft vooral de landbouw inleveren in oppervlak en gaan we de groene gordels rond de steden die zo nodig zijn voor natuur & recreatie, omzetten in bebouwde ruimte met veel van hetzelfde.

Lees het volledige artikel dat als whitepaper te vinden en te downloaden is op Pretwerk.


Met dank aan:

drs. Hans de Vries
economisch geograaf - bureau voor vernieuwing

"Ik roep hierbij de sector en de provinciale en gemeentelijke bestuurders en ambtenaren op om samen anders te kijken naar de uitdagingen die ook op ruimtelijk vlak voor ons liggen. Denk en doe mee!"